Dyscalculie
Het woord dyscalculie komt uit het Grieks en betekent letterlijk 'niet goed kunnen rekenen'. Ook dyscalculie ontwikkelt zich op basis van een aangeboren, erfelijke stoornis met een neurologische achtergrond. Het staat dus los van intelligentie en motivatie.
Algemene kenmerken per subtypen:
Visueel ruimtelijk
Het kunnen tellen is noodzakelijk om goed te kunnen rekenen. Om peuters en kleuters te leren tellen worden vaak visuele hulpmiddelen gebruikt. Kinderen met visueel-ruimtelijke problemen kunnen meer moeite hebben met het interpreteren van de betekenis van cijferrepresentaties en met het plaatsen van cijfers in de getallenrij (Braams, 2004).
Andere kenmerken zijn:
- Hardnekkige problemen met het opschrijven van grote getallen (plaatsverwisselingen).
- In een later stadium problemen met onderdelen waarbij ruimtelijk inzicht en kennis van ruimtelijke begrippen van belang is (meetkunde).
Procedureel
Bij het oplossen van rekenproblemen gebruiken sommige kinderen rekenprocedures die niet passen bij hun leeftijd. In een vroeg stadium uiten procedurele problemen zich al bij het tellen: kinderen 'vertellen' zich vaker en zijn sneller de tel kwijt. In een latere fase hebben deze kinderen moeite met de toepassing van rekenalgoritmes: het volgens vaste algemeen geldende stappen toewerken naar een uitkomst.
Kenmerken zijn:
- Het vaak gebruiken van een rekenaanpak die normaal is voor jongere kinderen.
- Veel fouten in de uitvoering van rekenprocedures.
- Achterstand in het begrip van rekenprocedures.
- Moeite met de volgorde van de stappen die bij complexe berekeningen moeten worden uitgevoerd.
Verbaal geheugen
Het tellen en optellen vindt plaats in het werkgeheugen. Dit werkgeheugen heeft twee kenmerken waarin mensen verschillen: de capaciteit en de snelheid waarmee de informatie wegzakt uit dit geheugen. De capaciteit van kinderen met rekenstoornissen blijkt gemiddeld kleiner te zijn en de snelheid van verval is groter (Hitch en McAuley, 1991).
Kenmerken zijn verder:
- Traag rekenen, waarbij eenvoudige sommetjes niet geautomatiseerd zijn.
- Als de antwoorden uit het geheugen worden gehaald, worden er veel fouten gemaakt.
- De tijd die ze nodig hebben om het antwoord uit het geheugen op te halen is zeer wisselend.
Gevolgen en andere kenmerken:
Op de middelbare school hebben leerlingen met dyscalculie vaak moeite met vakken waarbij getallen en inzicht komen kijken. Naast de vakken als wiskunde, natuurkunde, scheikunde kan ook gedacht worden aan biologie en geschiedenis.
Leerlingen met dyscalculie hebben daarnaast, net als dyslectici, regelmatig last van een negatief zelfbeeld. Hierdoor komen faalangst of problemen met de motivatie vrij vaak voor bij de leerstoornis dyscalculie.
Buro Leerlingenhulp geeft naast de algemene kenmerken en de diverse subtypen van dyscalculie dan ook veel aandacht aan deze bijkomende gevolgen.










